Een half jaar geleden trok ik naar Peru om Machu Pichu te zien voor ik veertig zou zijn. Op vraag van De Zondag schreef ik dit verslag. 

Machu Picchu. Hoge bergtoppen. Nazaten van de Inca’s in felgekleurde poncho’s en vrouwen met bolhoeden. Wie de clichés over Peru kent, heeft bijna het gevoel dat hij er al eens is geweest. Toch is dat maar de helft van het verhaal. Het Zuid-Amerikaanse land is er één van felle contrasten.

Een krijsende baby. De waarschuwingen aan pedofielen op de luchthaven van Lima. Het terreurverleden van Peru met zijn aanslagen door Het Lichtend Pad. De onrust en drukte van een vreemd land. Buiten horen we knallen en opgewonden geschreeuw en alles versmelt zich met alles. Dit heet een fikse voedselvergiftiging, en we liggen ijlend in een aftands hostelkamertje in het kleine stadje Ica. Uiteindelijk zal het niet meer dan vuurwerk en een stevig verkiezingsfeest blijken, maar héél even overwegen we om schuil te zoeken onder ons bed.

Ook dat is Peru dus: want het land mag dan een gastronomisch paradijs zijn, dat grossiert in lekkernijen als gebraden hamster (jawel; een topper) of alpacabiefstuk, voor het streetfood waar je bijna over struikelt let je toch beter iets meer op. We hebben ons die paar empanada’s in Lima nog lang beklaagd. Maar ceviche, een typisch Peruviaanse bereiding waarin vis koud gegaard wordt in een mengeling van citroensap en wijn, is dan weer wél heerlijk fris als lunch, wanneer de zon in het zenit staat.

Mummies

Dat ons verhaal in het minuscule Ica start , en niet in de hoofdstad, is overigens geen toeval. Hoewel Lima zijn verleden in de Spaanse kolonisatie heeft, laat de grootstad geen beklijvende indruk na. Natuurlijk is het centrum rond de Plaza de Armas sfeervol, maar de kathedraal uit 1535 blijkt bij ons bezoek aan de stad hermetisch gesloten, en veel andere bezienswaardigheden zijn er niet. Als toerist kun je dus net zo goed meteen verder het binnenland induiken. En dan is Cusco natuurlijk de evidente bestemming.

Toch kan het geen kwaad om even een ommetje langs Nazca te maken om de eeuwenoude, mysterieuze geogliefen, waarvan sommige zelfs meer dan honderd meter lang zijn, te bekijken. Nog steeds weten we weinig over de beweegredenen van de toenmalige bevolking om in de ruwe woestijnbodem metersgrote dierentekeningen achter te laten. Geen wonder dus dat je eigenlijk maar op één manier een overzicht kunt krijgen: door het luchtruim te kiezen. Op het vliegveld van het stadje zijn er meerdere bedrijfjes die een vlucht van een half uur over het gebied aanbieden.

Al is bewonderen zelfs dan niet evident. “De Walvis” en “De Astronaut”, de eerste twee tekeningen, ontgaan ons, want het duurt even voor je doorkrijgt hoe je precies moet kijken om ze te onderscheiden. Eenmaal je ogen zijn aangepast bewonder je wel degelijk “De Kolibri” en de andere iconische afbeeldingen.

Indrukwekkender echter, is het mausoleum van het Nazcavolk dat u in het dorpje Chauchilla vindt: oog in oog staan met de levensechte overblijfselen van mensen die meer dan duizend jaar geleden leefden, blijft een beetje ongemakkelijk, maar net zo fascinerend. Let overigens op dat u de gebaande paden blijft volgen, want aan de botten die uit de grond steken te zien, stikt het daarbuiten van de nog niet opgegraven mummies.

Te voet naar Machu Picchu

De klassieke Europese toerist krijgt pas in Cusco het gevoel een stad van betekenis te zien. De voormalige Incahoofdstad zelf strekt zich met zijn kleine straatjes en trappen uit over de bergflanken die de kern omringen; vooral ’s nachts levert dat dankzij de straatverlichting een erg pittoresk zicht op. Er is een boeiend museum gewijd aan Machu Picchu en verschillende Zuid-Europees aandoende kerken, maar vooral is er het indrukwekkend kathedralencomplex, waar in het overdadig rococogehalte van de vele altaren en kapellen de onmetelijke rijkdom van het koloniale Spanje tot uitdrukking komt.

Gelegen op 3400 meter is Cusco meteen ook de perfecte uitvalsbasis voor een bezoek aan de ruïnes van Machu Picchu, een goeie honderd kilometer verder. Rond de Plaza de Armas (werkelijk elke stad hier heeft er één) struikel je over de toeristische bureaus die je allerhande tours en trips aanbieden. Maar wie zijn reizen ook maar een beetje serieus neemt, kan natuurlijk slechts op één manier naar die topper onder de nieuwe wereldwonderen: te voet.

De klassieke Inca Trail is daarbij de evidente optie, maar wij opteren voor de minder overbevolkte Salkantay Trek. Sinds de Peruviaanse overheden het aantal passanten op de trappen van de Inca Trail beperkt tot vijfhonderd per dag, zit deze alternatieve route aardig in de lift, en als we onze gids Eber mogen geloven is ie ook mooier en aangenamer.

We zijn geneigd hem te geloven. Met zijn tachtig kilometer en grote hoogteverschillen is de Salkantay Trek voor een ongeoefende rugzaktoerist als ons — overweight and out of date —  nét aan de goeie kant van pittig; uitdagend maar niet ondoenbaar. Al is het van belang om de juiste touroperator te kiezen: in Cusco zijn meer dan tweehonderd bureautjes actief, en niet elk daarvan staat voor een duurzame benadering van het bergtoerisme, laat staan dat ze hun dragers en gidsen een eerlijk loon betalen. Ook wij worden nog voor het begin van de tour alvast gewaarschuwd dat we onze begeleiders aan het einde van de trip gerust van wat extra drinkgeld mogen voorzien bovenop de pittige vijfhonderd euro die de vijfdaagse — bezoek aan Machu Picchu incluis — al kost.

Door het regenwoud

De Salkantay Trek is het echter meer dan waard. Al op de eerste dag ontvouwt zich een Andeslandschap dat zijn gelijke nauwelijks kent. Terwijl we van het dorpje Mollepata naar onze eerste stopplaats trekken, passeren we watervallen, kolkende riviertjes, en een rijkdom aan wilde bloemen en fruit. ’s Namiddags maken we een excursie naar de berg die achter de sfeervolle kampplaats oprijst. Anderhalf uur lang bijt de steile helling nijdig in onze kuiten, maar wanneer de laatste bocht is gerond, krijgen we een adembenemend zicht op het Humantaymeer; een bijna azuurblauw bergmeer waarachter een imposante gletsjer omineus kraakt. Het water blikkert ijskoud, maar toch trekken enkele durfals hun kleren uit. IJsberen in Peru; het is natuurkundig niet helemaal correct, maar het dwingt respect af.

Wie in de bergen trekt, heeft afdoende voedsel nodig en dat weten ze bij touroperator Salkantay.org. De koks serveren dan ook royale porties koolhydraten, maar slagen er in om in deze primitieve omstandigheden toch heerlijke maaltijden te bereiden. Voldaan zoeken we onze tent op. Dit zou een koude nacht moeten worden — we zijn gewaarschuwd voor temperaturen tot onder het vriespunt op deze hoogte — maar El Niño is ons genadig: het wordt niet minder dan elf graden, wat in ons tentje perfect overleefbaar is.

Dag twee is er een om de schapen van de bokken te scheiden. Tien uur zullen we vandaag wandelen, en daarbij wordt meteen vier uur lang geklommen naar de Salkantaypas die ons op 4600 meter rond de gelijknamige bergtop (6264 meter hoog) brengt. Het vraagt meer dan een beetje doorbijten, maar wie ons kent weet dat opgeven niet ons woordenboek staat. En het klinkt misschien vreemd, maar het is de zes uur durende afdaling over hobbelige keien nadien die het meest op het lijf werkt. Onze kop er af als onze kniegewrichten niet twintig jaar ouder zijn geworden op één namiddag.

Het pad naar beneden brengt ons van de kale berglandschappen naar het nevelwoud dat de lagergelegen gebieden begroeit. Wanneer we eindelijk onze slaapplek voor de nacht bereiken, raken we zelfs de grenzen van het regenwoud: het is te zien aan de explosie van kleur die ons begroet, en die ene slang die plots ons pad kruist.

En daarmee zit het zwaarste er op. De volgende ochtend dalen we in een nevelige regenbui zes uur lang verder af door het regenwoud om ’s namiddags te verpozen in de warmwaterbronnen van Santa Teresa. Pas de volgende middag wordt er verder gewandeld; een gemakkelijke, bijna vlakke tocht langs de spoorlijn tot in Agua Calientes, het dorp aan de voet van Machu Picchu. Het harde werk is gebeurd; morgen mogen we opnieuw toerist zijn.

Een bos van selfiesticks

’s Anderendaags blijkt het oude zomerverblijf van de Incas de inspanning van de voorbije dagen waard te zijn. Weinig ruïnes maken meer indruk dan deze volledige stad, gedrapeerd als ze ligt over een bergkam, tussen twee pieken in. Zijn hier woorden voor? Nauwelijks. Wie vervolgens het panorama rondom in zich laat doordringen blijft helemaal sprakeloos achter; wat een decor, wat een plek!  We worden er bijna stil van, maar in deze toeristische omgeving is dat toch verloren moeite: het gekwetter omringt ons, we moeten waden door een woud van selfiesticks. Historische pracht krijg je niet te zien zonder vervelende neveneffecten.

Het maakt niet uit. Luttele tientallen meters verder is het al veel rustiger wanneer we richting de hoogtevreesopwekkende “Inca Bridge” wandelen. Sommige offers breng je met plezier, en Machu Picchu is best wat toeristisch gedrom waard. Of een voedselvergiftiging.

 

 

 

Advertenties

– Manu chao, 25 september 2001, Vorst
– Richard Ascroft, 31 oktober 2006, Hallen van Schaarbeek
– Belle & Sebastian, 7 april 2, AB
– Mum, 16 april 2004, AB
– Sigur Ros, juli 2006, Werchter
– Thee Silver Mt. Reveries, 13 oktober 2005, Vooruit
– The Flaming Lips, 4 juni 2006, Vooruit
– Arcade Fire, 15 mei 2005, Cirque Royale
– Mercury Rev, 24 november 2008, AB
– 65DaysOfStatic, juli 2007, Dour
– Mogwai, 6 oktober 1997, STUK
– Archive, 15 juli 2006, Dour
– The Knife, 13 oktober 2006, Gebaude 9
– !!!, 12 april 2007, AB
– The Scene, 15 juni 2007, AB

Eten!

Omdat hier anders niets gebeurt, en ik dat ook wel eens beloofd heb in mijn beginselverklaring: nog eens een recept. Van eigen vinding, dan nog, en naar het schijnt een succes.

pompoensoep met gegrilde paprika:

nodig:

  1. 600 g pompoen in stukjes
  2. 2 gegrilde paprika’s in stukjes
  3. 1 geschilde aardappel in stukjes
  4. gemalen komijn (ik stamp de zaadjes zelf fijn in een vijzel, geeft meer smaak dan het poeder dat je koopt, vind ik)
  5. geraspte verse gember
  6. fijngesneden look
  7. gesnipperde ui
  8. kippenbouillon

zo doe je het:

stoof de ui in een grote pot aan in wat olie. doe er als die wat glazig worden de gember, look en komijn bij. laat even meebakken al roerend.
doe de paprika, aardappel en pompoen er bij, en bak éven mee.
blus met een liter kippenbouillon en laat koken tot de groenten zacht zijn.
mix
serveer – als het wat afgekoeld is – met wat verse koriander.

smakelijk!

Het mag niet. En toch. Ik ben een fanboy.

Of neen. Geen fanboy. Zo’n platte muziekfan, die voor een hitje naar een concert gaat.

Neen. Dat is ook niet waar. Ik ging voor veel hitjes. Maar voor eentje in het bijzonder.

En dat hebben ze verknald. En het heeft mijn avond vergald.

Kijk, Fountains Of Wayne heeft veel leuke liedjes. Héél veel nummers waar ik blij van word, en die ik op een concert graag mee wil brommen of schreeuwen. En als ze daar eens een andere versie van willen maken? Ze doen maar. Maar van de onzin de “Stacy’s Mom” is? Daar moeten ze afblijven. Ze hebben namelijk geen nummer dat beter is. Dat meer het idee van melodische euforie samenvat: dat moment dat je de grootste hoop nonsense zou meebrullen, gewoon omdat het je blij maakt. Omdat de melodie zo juist zit, en de kracht van de gitaren het haar in je nekvel met een houdgreep hun wil opleggen.

En dan spelen ze dat dus in een — ik wik mijn woorden — fucking pianoversie. Wel, godver, IK HEB DAT NIET GEVRAAGD. Ik wilde een feestje. Geen in-joke tussen de bandleden om een publiek dat uit voetbalhooligans lijkt te bestaan te pesten.

Dus ja, ik ben slechtgezind. Sorry daarvoor. En laat me dus maar even.

Het gaat máár om Fountains Of Wayne. Ok? Als ik morgen iets lelijk schrijf over uw Relevant Artistiekerig Groepje. Dàn mag u iets terugzeggen. Nu niet.

Nu. Even. Niet.

het komt niet goed tussen mij en artiesten in dvd’s. neen, echt niet. Ik ben op dit moment 1991; the year that punk broke aan het zien. Dat moet zo, want ik ben research aan het doen voor een lijvig dossier over grunge. Maar god, wat een lùl is die thurston moore: dat eeuwige denigrerende toontje over alles wat buiten zijn wereld valt, die eeuwige zonnebril, die krampachtige poging om cool te zijn. en je eigenlijk gewoon te laten kennen als zelfingenomen eikel eerste klas.

het doet me denken aan het moment dat thom yorke voor mij van zijn voetstuk viel. Doe geen moeite, je wint niets met dit non-raadsel; het gaat inderdaad om meeting people is easy. ja, het zal wel dat het nogal mindnumbing is om dag-in-dag-uit over dezelfde plaat dezelfde vragen te moeten beantwoorden — ik heb ooit eens vier interviews moeten geven over de vijfde verjaardag van goddeau en dat voelde al verschrikkelijk routineus aan — maar alstublieft, hou uzelf eens bij elkaar. tel uw zegeningen en stop met janken.

ge zijt artiest; ge moogt elke avond een uur, anderhalf uur op een podium doen wat ge wilt. voor de rest van de dag moet ge gewoon zorgen dat ge een paar afspraken nakomt; een gesprek met een paar journalisten, bijvoorbeeld, omdat die zorgen dat uw plaat misschien wat verkoopt en ge daarom uw boterham verdient. Wel. WAT is het fucking PROBLEEM?

neen, het zal wel aan het feit liggen dat ik gewoonlijk aan de andere kant van de microfoon sta, maar ik moet het niet hebben; dat verveelde, neerbuigende gedrag. Wie muzikant wil zijn, wil daar van kunnen leven en wil dus een job. Elke job komt met zijn vervelende kanten. deal with it, en rammel niet met een ander zijn kloten. smug bastards.

Zoveel getuigenissen gelezen, zoveel meningen; wat valt er nog te schrijven na een dag waarin alles al driemaal lijkt gezegd? Dat ik me verward voel, bijvoorbeeld. Dat ik nog steeds het gevoel heb niet helemaal te weten waaruit ik ben ontsnapt. Hoe meer beelden ik zie van the day after, hoe minder ik begrijp dat we uit die ravage die ze ooit Chateau noemden zijn ontsnapt.

Om te beginnen begrijp ik nog altijd niet wat er gebeurd is. Ik heb die storm niet gezien. Eerst was ik in een tent en leek alles ok, op wat wiebelende lichten en een vallend scherm na. Maar zelfs dat lachten we weg. Smith Westerns had een goed eerste nummer gespeeld, L. had me fronsend aangekeken of ik gek was, zoals ik stond te dansen, en dat scherm, ach, als de band er zelf mee omkan met het mopje “it’s all part of the show”, dan valt het toch mee, niet? Maar ergens zijn we toch maar beginnen lopen naar de ingang.

Het volgende wat ik weet zijn twee beelden: een scheurend tentzeil linksboven, naast het podium, en één van de vier grote palen die ik zie kantelen. In slowmotion. Recht op L. af. Nog gedacht: ik moet haar wegtrekken. Heb dat nog geprobeerd. Geen idee of ik effectief iets heb gedaan, maar het volgende moment lagen we allebei op de grond, in een ongenadige open lucht. Zij: hevig bloedend aan het achterhoofd, maar bij volle bewustzijn, en rechtkrabbelend. Genoeg om me gerust te stellen: dit komt wel goed, moet hoogstens genaaid worden.

Daarna was er alleen maar de chaos van het schuilen onder de tribune net buiten de Chateau. De rugzak boven het hoofd als bescherming tegen de hagelbollen. Kleren die een minuut later doorweekt zijn. Het eindeloze-wachten-dat-blijkbaar-maar-een-kwartier-was tot ons eindelijk wat rust wordt gegund, een oog van de storm om onszelf bij elkaar te rapen. Ergens is dat er gekomen. We zochten in ons geheugen waar die EHBO-tent nu ook weer was. Dichtbij, gelukkig.

Wat volgde waren een paar voorbeelden van medemenselijkheid die er mogen zijn. In de Wit-Gele Kruistent geholpen door een student verpleegkunde die ook maar gewoon Pukkelganger was. Even later in Hasselt, waar onze tent-in-de-tuin ook weggewaaid was, hartverwarmend opgevangen door vrienden. Na de beste zorgen vanochtend kunnen vertrekken.

Thuisgekomen en niets anders gedaan dan met een hoofd vol ongeloof blijven nakaarten. Fora lezen, nieuws zien, praten. En een doktersbezoek, natuurlijk; safetycheck. In één adem een nieuwe bril gaan kiezen, mijn oude is ergens tussen het puin van de Chateau gebleven. En ergens begon het pas vandaag te dagen hoe extreem de situatie is geweest waarin we zaten. Tien centimeter naar rechts en er was geen L. meer. En ik vraag me nog altijd af hoe het komt, dat niets van die rondvliegende lichtenkringen of die spiegelbollen ons heeft geraakt.

We zijn er nog. Dat is naar het schijnt het belangrijkste. Correctie: dat is het belangrijkste. Maar ik ben wel plots bang van alles. Onze tent opzetten in de tuin, om te drogen, deed me vanmiddag al denken aan knappende zeilen en in het rond vliegende stokken. Toen ik daarnet van de supermarkt terugfietste en een automobilist een vreemd manoeuvre deed, stond mijn hart stil. Dat gaat even moeten slijten. Gisterennacht heb ik honderd keer dat tentzeil zien scheuren, die paal zien kantelen. Het was geen nachtmerrie, gewoon een droge beeldencarrousel. Ik ben niet zo zeker dat ik het vannacht ook zo zal kunnen bekijken.

De foto is genomen door Jan Van den Bulck van Digg.be. Check ook zijn post-ravagereeks. Op één of andere manier vind ik ze erg uplifiting.

ik had recepten beloofd, hier is er nog eens eentje:

kalfsvinken

wat je nodig hebt voor 4 personen

1 kleine fijngehakte ui
100g champignons
2 eetlepels fijngehakte peterselie
geraspte citroenschil van 1 citroen
4 dunne kalfslapjes, 130g elk
1 gevogeltebouillonblokje, opgelost in 150ml water
15ml witte wijn
1 kruidentuiltje
4 eetlepels lightroom
zout en peper

bereidingswijze:

neem een pan en leg er een bakvel in. laat de ui en de champignons gedurende 5 minuten stoven. neem de pan van het vuur. voeg er dan de peterselie en de geraspte citroenschil aan toe. breng op smaak met peper en zout. meng goed.
leg de kalfslapjes op een proper werkvlak, druk ze goed plat, en verdeel de vulling over elk van de kalfslapjes. rol de lapjes op en bind ze dicht met een touwtje.
bak de kalfslapjes goudbruin in een pan met bakvel, overgiet met de gevogeltebouillon en de witte wijn en doe er het kruidentuiltje bij. kruid met peper en zout. breng aan de kook en zet op een zachter vuurtje. plaats het deksel op de pan en laat het geheel 30 minuten sudderen.
haal de pan van het vuur, haal er het kruidentuiltje uit en voeg de room toe.
de kalfsvinken kunnen met erwtjes opgediend worden, suggereert het recept, maar ik verkies met een patatje en in wat olie gebakken paprika en courgette (ik pak voor twee personen een halve paprika en een halve courgette).

binnen twee weken zijn we op goddeau zes maand bezig met de rubriek “best of”. een plezant gezelschapsspel voor muzieknerds, dat steevast leidt tot verhitte discussies en veel tandengeknars. niets anders valt te verwachten als de opdracht is om uit alle platen van één van je lievelingsbands de vijftien meest essentiële songs over te houden.

soms gaat het nog. suede was — op een afvaller of twee na — een makkie. op een gebromd “gooi heroine eruit en ik stuur lord byron op jullie af” van (pf) na, knikte elkeen goedkeurend over de selectie van de ander. maar radiohead en tool? zweten, was dat. kiezen en schrappen. met de dood in het hart darlings over de kling jagen.

en dan zijn tool en radiohead nog bands met een beperkte discografie. ik wil me niet inbeelden wat de selectieheren voor de sonic youth-best of (zestien platen om uit te kiezen) vorige maand hebben moeten doorstaan, maar het kan nog niet tippen aan wat het is om uit de veertien studio-albums van r.e.m. een selectie te maken. mijn tanden zijn kapot van het knarsen, mijn wallen zijn na nachten tobben uitgezakt tot chinese muurproporties, mijn humeur benadert dat van iemand die heel slecht gezind is (ik ben op zoek gegaan naar een historische of literaire figuur, maar ik vond er geen. Sorry.), op een héél slechte ochtend waarop zijn vrouw hem tot overmaat van ramp een slippertje heeft opgebiecht.

van sommige groepen besef je immers te weinig hoe hard je er van houdt, tot je je weer eens vierklauwens op hun oeuvre stort. en mijn god, wat hou ik van r.e.m.. het heeft niet eens zin om songs op te noemen, het zijn er teveel. ik heb de laatste weken opnieuw kippenvel gehad bij de vleet, adrenalinerushes gevoeld, meegekweeld met geweldige popnummers,… het is opnieuw dikke mik tussen mij en r.e.m..

en dus wordt hier al dagen gedubd. na veel vijven en zessen kreeg ik een longlist opgesteld van vijfentwintig nummers. maar nu zit ik aan het echte werk: welke tien krijgen de ezelsstamp? moet ik echt die twee nummers uit het wat al te gemeen behandelde around the sun laten vallen, terwijl ik die net een duwtje wilde geven? en if not: wie dan wel? “fall on me”? toch niet “fall on me”?! “bad day” dan maar? neen, dat nummer maakt mijn dag nog altijd goed als ik het hoor. en verdorie, nu bezwijk ik opnieuw voor “imitation of life”, terwijl ik net dacht dat dat een evidente afvaller zou zijn.

help.

ik wil me nu dus al verontschuldigen tegenover michael stipe, peter buck, bill berry en mike mills. ik doe hen met mijn selectie van vijftien nummers onrecht aan. maar het moest. van de hoofdredacteur. (en ja, dat ben ik zelf, maar ook ik moet mij aan de regels houden.) en terwijl ik dit schrijf luisterde ik verder. met spijt in het hart laat ik “driver 8” en “maps and legends” vertrekken, en besluit ik dat “drive” er toch absoluut in moet, net als het scheurende “living well is the best revenge”.

maar dus: dat ik jullie verdomd graag hoor, liefste r.e.m;. willen jullie nu alsjeblieft toch komen toeren deze zomer? anders dreigt herman schueremans er mee om black eyed peas nog maar eens te boeken. en hij is gek genoeg om dat ook echt te doen. doe ons dat alsjeblief niet aan.

dankuwel bij voorbaat.

dit moet de eerste avond in weken zijn dat ik even niets zinnigs aan het doen ben.

als in: niet op-tijd-er-in-want-ik-moet-er-op-tijd-uit, of vlug-doorwerken-die-recensie-moet-af-en-en-dan-nog-iets-kijken-en-slapen. maar: gewoon hangen, wat de standaard online lezen, nieuwe plaatjes luisteren (balans: magnetic man is vet, shannon wright heeft nog tijd nodig, the strange death of liberal england moet ik zelfs nog meer dan twee keer horen), en wat met mensen chatten.

u heeft geen idee hoe hard ik hiernaar gesnakt heb.

dat het namelijk verschrikkelijk druk is geweest qua werk: woonspecials, jubileumkranten, gewone kranten, daar allemaal eindredactie op doen, topchefs interviewen, ruzie maken met klanten over onbetaalde facturen,… en dan zwijg ik nog over het tuinhuis dat echt echt echt voor de winter in elkaar diende geschroefd en het boekenrek in de keuken. vorm zelf een zin met de woorden “handen” en “vol”, zo moeilijk is dat niet.

maar u hoort me niet klagen. veel werk betekent veel geld, veel geld betekent lekker eten, en lekker eten bekent, euhm, gewoon lekker eten. dat is belangrijk.

voor de rest wordt er gesleuteld aan goddeau (denk: “groot onderhoud”), terwijl we de dagelijkse werking ook gewoon aan de gang houden. soms voel ik me zo’n circusartiest die zoveel mogelijk bordjes probeert draaiende te houden. en vloèken als er eentje tegen de grond knalt. want dat is niet de bedoeling.

zo. ben ik nog iets vergeten?

neen. dadist.
dàg, lieve dagboek!

(doek)

op de foto: shannon wright. omdat een mooi meisje nooit mis is.

U herinnert zich misschien nog dat ik vrij hard te spreken was over Battlestar Galactica. Die serie heeft nu een vervolg gekregen in de vorm van de prequelserie Caprica. Sinds een paar weken is de tweede helft van het eerste seizoen van start gegaan, en ik ben er nog altijd niet helemaal uit hoe geniaal ik het nu vind: beter dan Battlestar, of toch net iets te kort schietend?

Ik verklaar me nader. Het ís geen Battlestar; geen ruimtegevechten, geen slagsterren, geen spacejumps. Dit zou net zo goed uw favoriete soap kunnen zijn, over mensen zoals u en ik. Al leven ze dan op een andere planeet, en al is er wel iets raars aan de gang met gekke brilletjes die naar een virtuele wereld leiden. Very Strange Days, als u het mij vraagt.

Maar dat is natuurlijk het punt van Caprica. Naar Battlestar keken niet genoeg vrouwen, dus bestelde SyFy-channel een reeks die nu ook het zwakke geslacht zou kunnen bekoren. Enter: romantische intriges, babygeboortes, nog meer pseudo-religieus gewauwel, en — help — emoties. En toch fascineert het.

In de literatuur bestaat er een begrip als de “ideeënroman”; het soort boekwerk dat zijn narratief gebruikt om een gedachtegang over te brengen, dat filosofie verpakt in een intrige, zoals “De pest” van Camus. Caprica lijkt het televisuele equivalent daarvan. Meer nog dan het soms wat flauwe familieverhaaltje is deze reeks tot nu toe één lange reflectie over terrorisme, manipulatie en fundamentalisme. En dat op een manier die voor veel Amerikanen misschien close to home is. Radicalen worden niet voorgesteld als het verpersoonlijkte kwaad, maar zijn mensen die om één of andere reden foute keuzes maken, of zich laten meeslepen in de waanzin van iemand anders. En plots heb je ergens een bom achtergelaten en iemand vermoord. Zonder dat je dat eigenlijk wilde. Zonder het met zoveel woorden te zeggen, stelt Caprica verdomd veel vragen die geen gemakkelijk antwoord hebben.

En daar hou ik wel van.

En dan lees je dat SyFy Channel vier dagen geleden heeft besloten de serie te schrappen omwille van tegenvallende kijkcijfers. Ik kan daar niet veel meer op zeggen; mijn pleidooi staat hierboven. Ik kan alleen maar even mismoedig het hoofd schudden. Het was nog maar begonnen; en nu zullen we nooit weten waar de makers heen wilden met hun ideeën; wat hun punt rond terrorisme was.

Zonde.